17 september 1944, Operatie Market Garden
Op de vliegvelden in Groot-Brittannië stonden de troepen klaar bij de vliegtuigen voor het begin van Operatie Market Garden. Om 09.45 uur begonnen de eerste vliegtuigen op te stijgen en de totale luchtvloot zou bestaan uit meer dan 1100 troepentransportvliegtuigen en zweefvliegtuigen die begeleid zouden worden door meer dan 1500 jagers.
Tegelijkertijd klom Lieutenant General Brian Horrocks om 11.00 uur op het dak van een fabriek aan de Belgisch-Nederlandse grens. Vanuit zijn commandopost had hij een goed uitzicht over het terrein waar de aanval zou beginnen. Net na de middag kwam de luchtarmada over en gaf Horrocks het bevel voor de artilleriebeschieting, waarna ruim 350 kanonnen het vuur openden op de Duitse stellingen. Om 14.35 uur gaf Keith Heathcote, als commandant van de voorste tankformatie, het bevel tot op te trekken waarmee het Garden-gedeelte van de gehele operatie van start ging. Al snel waren de eerste tanks over de grens, maar ook de eerste problemen dienden zich al aan. Aan weerszijden van de weg lag namelijk Kampfgruppe Walther in een netwerk van stellingen te wachten die in een mum van tijd negen tanks wist uit te schakelen, die op hun beurt de weg weer versperden. Met behulp van Typhoon-vliegtuigen werd de Duitse weerstand vernietigd, maar al vrij snel bleek dat de opmars, mede door de smalle beschikbare weg, meer tijd in beslag zou nemen dan vooraf was gedacht. Pas bij het vallen van de nacht op deze eerste dag hadden de Guards Valkenswaard bevrijd, maar dit was 10 kilometer ten zuiden van Eindhoven, hun uiteindelijke doel op deze eerste dag.
De Amerikaanse 101st Airborne Division had tot vlak voor de Nederlandse grens een relatief rustige vlucht gehad. Toen ze over de lange colonnes van het gereedstaande Britse XXX Corps heenvlogen, barstte het Duitse afweergeschut los. Uiteindelijk werden er ‘slechts’ 16 Dakota’s neergeschoten en meer dan 100 beschadigd. Van de 70 zweefvliegtuigen bereikten er 53 de Sonse Heide, maar de divisiecommandant Major General Maxwell Taylor beschouwde de landing als een groot succes. Het grootste deel van zijn troepen was op de goede plaatsen terecht gekomen en de eenheden waren nauwelijks uit elkaar geraakt. Het 501st Parachute Infantry Regiment had Veghel en de bruggen over de Aa en de Zuid-Willemsvaart binnen twee uur na de landing genomen. Het 502nd Parachute Infantry Regiment St.Oederode en de brug over de Dommel. Het 506th Parachute Infantry Regiment was ondertussen opgerukt naar Son om de brug over het Wilhelminakanaal te veroveren, maar toen ze deze genaderd waren, ging die de lucht in.
De Amerikaanse 82nd Airborne Division was ondertussen zonder al te veel problemen geland in de omgeving van Nijmegen en Groesbeek. De Amerikaanse commandant Major General James Gavin had bij de landing zijn enkel gebroken. Toch stuitten de Amerikanen bij de Waalbrug in Nijmegen op grote problemen omdat SS-Obergruppenführer Wilhelm Bittrich na de eerste landingen een verkenningseenheid van de 9. SS-Panzerdivision ‘Hohenstaufen’ naar Nijmegen had gestuurd. Uiteindelijk moesten de para’s zich terugtrekken omdat Duitse troepen vanuit het Reichswald een aanval hadden gedaan op de landingsterreinen, en deze moesten tot elke prijs heroverd worden omdat er een tweede golf zweefvliegtuigen in aantocht was.
In de omgeving van Wolfheze waren ondertussen de eerste Britse troepen geland en hun opdracht was om zo snel mogelijk naar de verkeersbrug in Arnhem op te rukken, een afstand van 13 kilometer. De landing was op zich vrij goed verlopen en van enige Duitse tegenstand was op dit moment nog weinig te merken, maar al vrij snel had Major-General Roy Urquhart in de gaten dat hij in de problemen zat. Zijn radiotelegrafisten hadden de grootste moeite om met wie dan ook contact te krijgen, en bovendien was een groot deel van de verkenningseenheid van Major Freddy Gough, die als taak had om als eerste op te rukken naar de brug, nog niet aangekomen. Juist door al deze problemen besloot Urquhart daarom dan maar om er zelf op uit te gaan, een beslissing die achteraf gezien niet een van de gelukkigste was.
SS-Obergruppenführer Wilhelm Bittrich werd al vrij snel op de hoogte gesteld van de landingen, aarzelde vervolgens geen moment en dirigeerde de 9.SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’ in de richting van Oosterbeek en Arnhem en de 10.SS-Panzer-Division ‘Frundsberg’ in de richting van Nijmegen. Al vrij snel hadden de Duitsers door dat het de geallieerden om de bruggen te doen was. De opmars van de Britse para’s verliep moeizaam. Niet alleen de afstand vanaf de landingsterreinen werkten niet in hun voordeel, maar ook de burgers bemoeilijkten hun opmars. Telkens kwamen zij met kopjes thee en koekjes aandraven, en de Britten waren te beleefd om hieraan voorbij te gaan. Uiteraard was dit niet de enige reden, de Duitsers hadden al vrij vroeg in de strijd tegenmaatregelen genomen. Alleen de opmars van het 2nd Battalion van Lieutenant-Colonel John Frost verliep vrij voorspoedig. Hij had de meest zuidelijke route genomen en omdat de Duitse tegenstand hier nog niet noemenswaardig was, bereikte hij om ongeveer 20.00 uur de onbeschadigde verkeersbrug over de Neder-Rijn in Arnhem.